Close

6 maart 2020

Weigeren van een bloedonderzoek na een verdenking van het rijden onder invloed van drugs?

weigeren bloedonderzoek

Rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, parketnummer 96-234684-19.

Met een extreem nerveuze doch zeer vriendelijke cliënte stond ik vandaag op de rechtbank in Zwolle. Zij werd verdacht van het weigeren van een bloedonderzoek, nadat tegen haar de verdenking was gerezen dat zij onder invloed van drugs had gereden (art. 163 lid 6 WVW 1994, art 8 lid 1 WVW 1994, art 8 lid 2 ahf/ond b WVW 1994).

Cliënte lijdt sinds haar jonge kinderjaren aan de ‘bloed-injectie-letsel’ fobie, de officiële term voor overmatige angst voor bloed, naalden en wonden. Op de bewuste dag toen zij door de politie was staande gehouden, heeft zij meerdere malen tegen de verbalisanten aangegeven dat zij wel wil meewerken aan het bloedonderzoek, maar zij door deze specifieke fobie dit niet kan. Sterker nog, zij gaf aan dat het bloedonderzoek zelfs in haar voordeel zou uitpakken. Zij is immers stellig in haar verklaring dat zij absoluut nog nooit en dus ook niet op die bewuste dag drugs had gebruikt. Echter, zagen de verbalisanten dit anders. Zo anders dat er uiteindelijk van een hulpofficier van justitie het bevel kwam om mee te werken aan het bloedonderzoek. Cliënte gaf toestemming, maar op het moment suprême (toen de GGD arts voornemens was om te prikken) sloeg de paniek toe bij cliënte. De GGD arts besloot op dat moment om het bloedonderzoek niet door te zetten. Het is niet gelukt dus u (lees: cliënte) heeft zich nu schuldig gemaakt aan een misdrijf! Het dossier belandde bij het Openbaar Ministerie en ook de officier van justitie was diezelfde mening toegedaan. Cliënte werd vervolgd en vandaag stond zij terecht.

Ter zitting achtte de officier van justitie het feit bewezen, omdat door de verdediging geen enkele onderbouwing was overgelegd omtrent de ‘bloed-injectie-letsel’ fobie, en feit blijft dat er uiteindelijk geen bloedonderzoek heeft plaatsgevonden, ondanks het bevel daartoe. Overigens blijkt uit een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2019:264) dat de ‘enkele angst voor prikken’ geen bijzondere geneeskundige reden is op grond waarvan een verdachte niet verplicht zou zijn aan het bloedonderzoek mee te werken, aldus de officier van justitie.

De verdediging was het hier absoluut niet mee eens. Ik ben ook bekend met deze uitspraak, maar de onderhavige zaak was toch beduidend anders. De zaak bij het Hof Amsterdam betrof een zaak waarin de verdachte reeds zijn medewerking had geweigerd, omdat hij bang is voor prikken. Cliënte had daarentegen wel toestemming verleend aan het gehele onderzoek, maar zij werd op enig moment zo angstig tijdens het bloedonderzoek dat de GGD arts het bloedonderzoek heeft gestaakt. Een onderbouwing voor de specifieke fobie van cliënte is dan niet meer relevant. De GGD arts die het bloedonderzoek heeft gestaakt heeft immers zelf ondervonden in welke staat cliënte verkeerde en heeft op basis daarvan geconcludeerd tot staken van het bloedonderzoek.

De politierechter was het daarmee eens. Zij sprak cliënte vrij, omdat zij in het handelen van de GGD arts wel degelijk een bijzondere geneeskundige reden zag op grond waarvan cliënte niet verplicht zou zijn aan het bloedonderzoek mee te werken. De politierechter vond ook dat de aangehaalde uitspraak door de officier van justitie een andere situatie betreft. Zij gaf hierbij aan dat in die uitspraak de verdachte in kwestie op voorhand al heeft geweigerd om zijn medewerking te verlenen. Ook had zij nog oudere uitspraken aangehaald, o.a. HR NJ 1989, 367 (‘ik word panisch als ik geprikt word’), waaruit ook op voorhand door verdachten geweigerd was hun medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek. In deze zaak heeft cliënte meteen aangegeven haar medewerking te zullen verlenen en dit bleek ook uit haar houding in het hele dossier. Zo heeft zij meegewerkt aan een voorlopig ademonderzoek en speekseltest, maar eigenlijk ook aan het bloedonderzoek. Het is uiteindelijk de GGD arts geweest die op basis van haar constateringen rondom cliënte heeft besloten om het bloedonderzoek niet (verder) te laten plaatsvinden en daarmee is sprake van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 163 lid 7 WVW.